Geschiedenis: paardenrassen
De Gelderlander is ontwikkeld door de Nederlandse boeren. Ze wilden goede paarden voor eigen gebruikt hebben, maar ze wilden ook kwaliteitvolle paarden hebben om ze te kunnen verkopen. In de 19de eeuw was veel vraag naar goede en sterke paarden. De Gelderse boeren konden goed gebruik maken van de situatie. Ze begonnen de plaatselijke zware merries te kruisen met hengsten die uit verschillende landen werden in het land geïmporteerd. De hengsten moesten aan bepaalde criteria voldoen. De eisen werden al op voorhand vastgelegd door de boeren. Er werd veel nadruk opgelegd voor de kwaliteit, temperament, bouw en beweging. Er waren vooral Iberische en Arabische hengsten. Deze kruisingen brachten een allround paarden. Ze waren zeer geschikt voor boerenwerk. Ze werden ook gebruikt als rijpaarden. Daarna ging men verder met het fokken van deze paardenrassen om nog betere resultaten te bereiken. De Gelderlander werd gekruist met Volbloeden en Holsteiners. Het paard kreeg meer stijl en elegantie. Tegenwoordig is het paard opgenomen in het Nederlandse Warmbloedstamboek.
Opbouw: paardenrassen
Het hoofd is redelijk groot en heeft een vrij rechte profiel. De oren zijn goed lang en fijn. Het paard heeft kleine en mooie ogen. De neusgaten zijn goed open. De benen zijn lang en mooi opgebouwd. De meest voorkomende kleuren zijn vos, schimmel, bruin en zwart. De schofthoogte is ongeveer 1.65 meter.
Karakter: paardenrassen
De Gelderlander is een levendige en elegante paard. het heeft een goede temperament. Het wordt voor verschillende doelen gebruikt. Ze werden eerst ontwikkeld voor tuigwerken, maar tegenwoordig zijn ze heel goede rijpaarden geworden.





